De kracht en kwaliteit van het gebied

Het gebied van Vallei en Veluwe is waterstaatkundig een nagenoeg op zichzelf staande en zelfvoorzienende eenheid. Het bijzondere van ons werkgebied is de grote variatie aan landschappen.

Landschap gevormd door natuurlijke processen en menselijke transformatie

De wisselwerking tussen menselijke ingrijpen en natuurlijke processen hebben het landschap waarin we wonen en werken, gevormd tot wat het nu is. De mooie Veluwe is ontstaan door stuwwallen, die  tijdens de ijstijd zijn gevormd. Eeuwenlang, tot op de dag van vandaag,  hebben mensen het landschap vervolgens veranderd. De eerste bewoners legden sloten en weteringen aan om het land droog te leggen. Gevolgd door de dijken om het land te beschermen tegen overstromingen vanuit de Zuiderzee, de IJssel en Nederrijn. Daarnaast zijn veengebieden afgegraven voor turfwinning, kanalen gegraven voor scheepvaart, beken en sprengen gegraven om watermolens aan te drijven en waterlinies aangelegd om de vijand buiten te houden.

 

Diversiteit ondergrond

Op de doorsnede, getekend van oost naar west, van de IJssel via de Veluwe en de Gelderse Vallei naar de Utrechtse Heuvelrug, valt naast de spectaculaire hoogteverschillen ook de diversiteit van de diepere ondergrond op. Met de Veluwe en de oostflank van de Utrechtse Heuvelrug kent ons werkgebied infiltratiegebieden van formaat, met daaronder het grootste zoetwaterreservoir van Nederland. Het regenwater zijgt in op de hoge zandgronden van de Heuvelrug en de Veluwe zodat op de flanken daarvan de beken kunnen ontspringen; dit noemen wij de brongebieden. Via diepe en ondiepe grondwaterbewegingen worden de omliggende gebieden gevoed met een constante stroom van water van uitstekende kwaliteit. Het vitaal houden van deze ‘blauwe motor’ is van groot belang.

 

Diversiteit landschappen

Waterschap Vallei en Veluwe beheert het water in dit bijzondere gebied en zorgt ervoor dat meer dan 1 miljoen inwoners van Gelderland, Utrecht en Overijssel veilig kunnen wonen en werken. Het bijzondere van dit werkgebied is de grote variatie aan landschappen. Van nat naar droog vinden we veenmoerassen, polders, rivierenlandschappen, beekdalen, sprengen, vennen, bosgebieden, heidevelden en zandverstuivingen. Er zijn middeleeuwse binnensteden, vissersplaatsen en charmante dorpen. Met de Veluwe hebben we het grootste landnatuurgebied binnen onze grenzen.

 

Veerkracht in een compleet systeem

Het beheergebied van het waterschap is een nagenoeg gesloten watersysteem. Dit betekent dat we bijna geen water van buiten het gebied nodig hebben of doorvoeren aan anderen: van bron (regenwater) tot monding is het compleet. Dat biedt de kans om samen met onze partners, zoals agrariërs, natuurorganisaties, etc., de veerkracht van het systeem dusdanig te gebruiken dat we de toekomstige veranderingen aankunnen.

Waterbalans

Het watersysteem bestaat uit een zichtbaar deel – dat wordt gevormd door sloten, meren, rivieren – en een onzichtbaar deel. Het zichtbare deel bevindt zich bovengronds en wordt oppervlaktewater genoemd. Het onzichtbare deel bevindt zich onder de grond en wordt grondwater genoemd. In een waterbalans staan de belangrijkste aan- en afvoerposten en is het aandeel ten aanzien van de waterbalans gegeven. Hierdoor ontstaat inzicht in welke waterstromen wel of niet belangrijk zijn.

 

Neerslag

De belangrijkste bron voor het watersysteem is neerslag. Per jaar valt er ongeveer 900 mm neerslag. Ongeveer de helft van die neerslag verdampt weer. Het overige deel, circa 1 miljard m3 water, stroomt als gevolg van de zwaartekracht van hoog naar laag.
Afhankelijk van waar een regendruppel valt, moet het een korte of een lange weg afleggen naar zee. Soms valt een druppel direct in, of zo dichtbij een sloot of riolering dat het meteen wordt afgevoerd. In andere gevallen infiltreert de regendruppel in de bodem en duurt het vervolgens vele jaren voordat het weer aan de oppervlakte komt. Jaarlijks wordt 40 procent van het water dat wordt afgevoerd, ongeveer een half miljard kuub, afgevoerd via het oppervlaktewatersysteem.
Een andere bron voor het watersysteem is het water dat in de zomer wordt ingelaten vanuit de rivieren en randmeren. Dit water wordt ingelaten om ervoor te zorgen dat de waterstanden in de zomer niet te ver uitzakken, waardoor droogte wordt tegengegaan. De hoeveelheid ingelaten water bedraagt iets meer dan 5 procent van de totale input.

 

Drinkwater

Ongeveer 10 procent van het water dat is geïnfiltreerd in de bodem, wordt opgepompt en stroomt als drinkwater bij ons uit de kraan of wordt gebruikt voor industriële toepassingen. Het overige deel, dus zo’n 90 procent, verdwijnt naar het diepe grondwater en stroomt vervolgens richting de rivieren of de Flevopolder.

 

Klimaatverandering

Als gevolg van klimaatverandering neemt de jaarlijkse neerslag met ongeveer 5 procent toe en er verdampt zo’n 7 procent meer water. Deze verandering is echter alleen meteorologisch bepaald. Hoe dit doorwerkt in de verdeling van aan- en afvoer is lastig te bepalen, doordat klimaatverandering doorwerkt in meerdere aspecten. Door de klimaatverandering verandert bijvoorbeeld ook de lengte van het groeiseizoen en wordt het wellicht mogelijk of noodzakelijk om andere gewassen te verbouwen. Een ander aspect is dat bijvoorbeeld het drinkwaterverbruik toeneemt als gevolg van een grotere vraag naar water.

De visiekaart

Wilt u de visiekaart graag in zijn geheel bekijken? Download dan hier de volledige visiekaart.

Download PDF
back-to-top